Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (WNRA)

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 2 februari 2011 advies uitgebracht over een initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerleden Koşer Kaya (D66) en Van Hijum (CDA). Op dit moment zijn ambtenaren bij de overheid in dienst op basis van een eenzijdig besluit, de ambtelijke aanstelling. De initiatiefnemers willen dit veranderen en hebben een wetsvoorstel ingediend dat die ambtelijke aanstelling vervangt door een arbeidsovereenkomst en waarbij het civiele arbeidsrecht op ambtenaren van toepassing wordt verklaard. Voor hen blijven nog wel enkele bijzondere regels gelden om de integriteit van de overheid te waarborgen; zo moeten zij bij indiensttreden een ambtseed afleggen en moeten zij hun nevenfuncties opgeven. Rechters en militairen houden wel hun ambtelijke aanstelling. Het voorstel wordt gemotiveerd als een principiële keus en als een laatste stap in het zogenaamde 'normaliseringsproces' dat sinds de jaren '80 aan de gang is. Dat proces heeft ertoe geleid dat de overheid met vakbonden onderhandelt over de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren, dat ambtenaren onder de sociale zekerheid voor werknemers vallen en dat zij ondernemingsraden hebben. De Kamerleden hebben op 12 april 2011 hun reactie gegeven op het advies, dat daarmee openbaar is geworden.

Het begrip 'normalisering'
In haar advies stelt de Afdeling advisering vragen bij het begrip 'normalisering'. Dit begrip gaat eraan voorbij dat werkgever en werknemer bij de overheid dienstbaar en daarmee ondergeschikt zijn aan het algemeen belang, zoals dat door regering en Staten-Generaal wordt vastgesteld, en dat al het overheidsoptreden democratisch gelegitimeerd moet zijn. Alleen de overheid mag geweld gebruiken, vrijheden van burgers beperken en hen verplichten belasting te betalen. Zij kan haar taak niet verzaken, zoals een bedrijf wel zijn bedrijfsactiviteiten kan staken. De overheid heeft ook geen klanten, cliënten of consumenten, maar staat in een democratisch rechtsstatelijke verhouding tot burgers.

Bijzondere positie
De bijzondere positie van de overheid vertaalt zich in de positie van de ambtenaren. Formeel zijn politieke bestuurders verantwoordelijk voor alles wat ambtenaren doen. Feitelijk is de politieke controle op het dagelijkse handelen van ambtenaren om praktische redenen beperkt. Dát is de reden dat de overheid geen tweezijdige arbeidsovereenkomst sluit met haar werknemers, maar hen in dienst neemt bij een eenzijdig besluit. Die bijzondere positie van de overheid en van de ambtenaren wordt ook zichtbaar bij het arbeidsvoorwaardenoverleg: dat overleg is bedoeld om tot overeenstemming te komen, maar de overheid houdt de bevoegdheid om de arbeidsvoorwaarden eenzijdig vast te stellen; die bevoegdheid kan zij inzetten als de overheidsfinanciën geen ruimte bieden om aan de eisen van de vakbonden tegemoet te komen.

Uitzonderingen ambtelijke status uitbreiden
Indien de ambtelijke status toch wordt beëindigd, moeten volgens de Afdeling advisering niet alleen rechters en militairen daarvan worden uitgezonderd, maar ook beleidsambtenaren, ambtenaren die geweld mogen gebruiken tegen burgers of vrijheid van burgers mogen beperken, en ambtenaren die beslissen over de rechten en plichten van burgers. Zij zijn immers direct verbonden met de uitoefening van de overheidstaak. Het voorstel lijkt vooral bedoeld te zijn om een eind te maken aan de bijzondere ontslagprocedures voor ambtenaren, omdat die duur en tijdrovend zouden zijn. De Afdeling advisering zet daar vraagtekens bij en constateert dat de ambtelijke ontslagprocedures eenvoudiger en sneller kunnen; afschaffen van die procedures is niet direct nodig. Zij constateert verder dat het voorstel optimistisch is over de kosten die aan het voorstel zijn verbonden en dat het moment niet zo gelukkig is gekozen: de operatie zal samenvallen met de ingrijpende bezuinigingen en herstructureringen voor het overheidsapparaat die in het regeerakkoord zijn aangekondigd.

Klik hier voor de volledige tekst van het advies en de reactie van de indiener.
 

Op donderdag 23 januari was het laatste Kamerdebat over het initiatiefwetsvoorstel van D66 en het CDA, dat de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren gelijk trekt aan die van werknemers in het bedrijfsleven.

Over de invoeringstermijn gaf Plasterk aan dat hij verwacht dat de invoerings- en aanpassingswetgeving ongeveer 2,5 jaar in beslag zal nemen. Uitgebreide informatie daarover vindt u in onze nieuwsbrief.

In het debat kwam de vraag aan de orde of er met de bonden overleg gevoerd had moeten worden over de inhoud van dit wetsvoorstel. De indieners vinden dat de wetgever gaat over de overgang van het arbeidsrecht voor ambtenaren naar de burgerlijk arbeidsrecht. De AC Rijksvakbonden vinden samen met de collegabonden dat daar overeenstemming met de bonden voor nodig is. De indieners blijken een Kamermeerderheid achter zich te hebben staan. Ook minister Plasterk steunde namens het kabinet de indieners en gaf aan dat hij met de bonden alleen zal spreken over de wijze van invoering en uitvoering van de nieuwe wet. Het ziet er dus naar uit dat de bonden bij de rechter hun gelijk moeten halen als de behandeling van deze wet niet wordt gestaakt. Zie ook onze brief aan de Tweede Kamer.

Op 28 januari gaat de Tweede Kamer over het voorstel stemmen. Vervolgens moet hierover nog worden gestemd in de Eerste Kamer. Wilt u ook uw stem laten horen? Ondersteun dan de petitie: komnietaanambtenarenrecht.petities.nl.

Op donderdag 23 januari was het laatste Kamerdebat over het initiatiefwetsvoorstel van D66 en het CDA, dat de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren gelijk trekt aan die van werknemers in het bedrijfsleven. Uitgebreide informatie daarover vindt u in onze nieuwsbrief.

In het debat kwam de vraag aan de orde of er met de bonden overleg gevoerd had moeten worden over de inhoud van dit wetsvoorstel. De indieners vinden dat de wetgever gaat over de overgang van het arbeidsrecht voor ambtenaren naar de burgerlijk arbeidsrecht. De AC Rijksvakbonden en de collegabonden vinden dat daar overeenstemming met de bonden voor nodig is. De indieners blijken een Kamermeerderheid achter zich te hebben staan. Ook minister Plasterk steunde namens het kabinet de indieners en gaf aan dat hij met de bonden alleen zal spreken over de wijze van invoering en uitvoering van de nieuwe wet. Het ziet er dus naar uit dat de bonden bij de rechter hun gelijk moeten halen.

Over de invoeringstermijn gaf Plasterk aan dat hij verwacht dat de invoerings- en aanpassingswetgeving ongeveer 2,5 jaar in beslag zal nemen.

In het debat werd duidelijk dat een meerderheid van de Tweede Kamer het wetsvoorstel steunt. Op dinsdag 28 januari wordt er over gestemd en zal het wetsvoorstel dus worden aangenomen. Daarna gaat het naar de Eerste Kamer.